




Lyrisch functionalisme
Kho Liang Ie – Mid-Century Modernist
Stedelijk Museum Amsterdam
Het modernistische interieur dat Kho Liang Ie in de jaren vijftig tot zeventig ontwierp voor Schiphol Airport wordt gekenmerkt door grids, belijning en ritme. Interieurarchitect Eline Strijkers vertaalde die beeldtaal naar een ruimtelijke tentoonstellingservaring vol inventieve variaties en speelse composities die zaal na zaal verrassen.
Door Thierry Somers
Fotografie: Peter Tijhuis
“De tentoonstelling begint met twee beeldtalen van Kho Liang Ie die ogenschijnlijk niets met elkaar gemeen hebben, maar samen twee kanten van hem belichamen,” zegt de oprichter van Strijkers Studio terwijl ze mij rondleidt. Midden in de opbouw, een week voor de opening, kijkt ze de introductiezaal rond. Aan de muur hangt een grote zwart-wit blow-up van de Indonesisch-Chinese polymath. Op de rechterwand vormen tl-lampen een geometrisch grid dat verwijst naar zijn sterke gevoel voor structuur en ritme. Aan de andere zijde hangt een voorbeeld van zijn vrije, persoonlijke kant: een grote manicule – een typografisch handmotief met een wijzende vinger dat Kho gebruikte voor zijn huwelijksuitnodiging.
Voor het ontwerp van de tentoonstelling analyseerde Strijkers het werk van Kho uitgebreid om tot een ruimtelijke vertaling te komen die niet alleen ondersteunt, maar ook iets toevoegt aan de beleving ervan. “Ik wilde iets voelbaar maken dat echt bij hem hoort, zonder dat het zijn ontwerpen overstemt.”
Uit haar analyse destilleerde ze drie kernwaarden: een sterk gevoel voor ruimtelijke structuur, verfijning in styling en detail, en een culturele gelaagdheid waarin orde en vrijheid samenkomen. “Ook al is zijn werk heel georganiseerd en gestructureerd, tegelijkertijd zit er veel finesse, speelsheid en lichtheid in.” Een combinatie van strakke en sfeervolle ontwerpen die Ineke van Ginneke ooit “lyrisch functionalisme” noemde.
Die waarden vertaalde ze naar een tentoonstelling opgebouwd uit dertien thematische zalen, waarin Kho’s veelzijdigheid wordt weerspiegeld: van productontwerp en woonhuizen tot art direction, standbouw, interieurs en zijn samenwerkingen met kunstenaars. Een geometrisch verlichtingsconcept versterkt de ritmische structuren die door zijn werk heen lopen.
Daarnaast ontwierp Strijkers twee soorten podia: transparante presentaties voor ontwerpen van Kho zelf – stoelen, lampen en kasten – en aluminium podia voor kunstenaars en ontwerpers met wie hij samenwerkte of door wie hij zich liet inspireren. “Het gaat niet alleen over zijn werk, maar ook over de creatieve wereld om hem heen,” aldus Strijkers.
Ruimtelijke illusie
In de volgende zaal hangt een zwart-witfoto van een interieurontwerp dat Kho in 1955 maakte voor woongebouw Corversbos in Hilversum, waarin hij experimenteerde met compacte woonvormen en modulaire indelingen. Op het podium staan enkele van zijn meubelontwerpen, waaronder de Cantú lounge chair en de K46-lamp.
“Hij onderzocht hoe je op een zo klein mogelijk oppervlak, door slim te spelen met belijning en verschillende vloervelden, toch het gevoel van een ruimere woning kon creëren,” legt Strijkers uit. Om dat ruimtelijke effect voelbaar te maken, trok Strijkers het vloerpatroon uit de foto door in de zaal en liet ze het streeppatroon van de bank op de foto terugkomen in horizontale tl-balken die van wand naar vloer lopen. Door die subtiele ingrepen oogt de relatief kleine ruimte groter dan ze werkelijk is – een verwijzing naar de slimme ruimtelijke illusies die Kho zelf in zijn ontwerpen toepaste.
Met die ruimtelijke illusie speelt Strijkers ook in de zaal waar de grafische ontwerpen van Kho, gemaakt in samenwerking met Wim Crouwel, worden getoond. Twee wanden zijn opgedeeld in een grid van rechthoekige vlakken met tentoonstellingsposters, terwijl tl-buizen in de hoeken de contouren van de ruimte accentueren. De spiegelende vloer verdubbelt de zaal optisch en benadrukt het grafische ritme van het ontwerp.
Overkoepelende beeldtaal
De conservator industriële vormgeving van het Stedelijk, Ingeborg de Roode, en Eng Bo Kho, de zoon van Kho Liang Ie, met wie zij de tentoonstelling samenstelde, komen ons even begroeten. Wanneer zij doorlopen, vertelt Strijkers hoe ze werd benaderd voor het ontwerp van de tentoonstelling.
“Ingeborg herinnerde zich een bezoek aan modewinkel Stills, waarvoor ik vijftien jaar geleden het interieur ontwierp vanuit een uitgesproken spatial grid. Die nadruk op structuur, ritme en belijning deed haar denken aan het werk van Kho en was de reden waarom ze mij benaderde.”
Stills bestond uit één ruimte, maar voor deze tentoonstelling moest Strijkers die ruimtelijke logica vertalen naar dertien zalen die samen een sequentie vormen. Ze vertaalde Kho’s gevoel voor ritme en structuur naar een reeks ruimtelijke composities met lichtpatronen, vloervelden, fotowanden en podia. Daardoor voelt elke zaal anders aan, terwijl de scenografie als geheel één duidelijke beeldtaal behoudt.
Je kijkt je ogen uit in de zaal die gewijd is aan Kho’s samenwerking met kunstenaars en zijn eclectische verzameling schilderijen, prenten en sculpturen die hij door de jaren heen bijeenbracht. Groene, kaarsrechte laserstralen worden op de muren geprojecteerd en helpen art handlers bij het ophangen van werken van onder anderen Robert Indiana, Lucio Fontana, Josef Albers, Reinier Lucassen, Peter Struycken en Niki de Saint Phalle.
Bewoners van interieurs
Strijkers begint te glunderen wanneer installateurs bezig zijn met het leggen van een vloerzeil met het patroon van de kenmerkende vierkante tegelvloer van Schiphol. Een blow-up van passagiers in de lounge geeft de ruimte een bijna driedimensionaal effect, waarin banken, tafels en de zesvoudige groene telefooncel worden geplaatst. Aan het plafond hangt een origineel lamellensysteem van Hunter Douglas, waartussen gele lichtbakken met bewegwijzering zijn opgehangen, met de kenmerkende pijl die Kho samen met Benno Wissing ontwikkelde. Tegenover de blow-up hangt een groot geweven wandwerk van Sheila Hicks, waarvoor Kho haar kort voor zijn dood opdracht gaf.
Het interieur voor Schiphol geldt als Kho’s bekendste en meest omvangrijke project, met een volume van circa 300.000 m³. Hij had totale zeggenschap en bemoeide zich met alles: van de bewegwijzering en de selectie van kunstwerken tot het ontwerp van de prullenbakken in de toiletten. Die totale aanpak typeert zijn manier van werken, waarin hij zich volledig verplaatste in de eindgebruiker. Zoals Marieke Berkers in de catalogus schrijft: “Kho zag mensen niet als gebruikers van interieurs, maar als bewoners ervan. Ontwerpen deed je voor de volledige mens.”
Passagiersstromen en de gemoedstoestand van reizigers waren belangrijke uitgangspunten in Kho’s ontwerpen voor Schiphol. De vertrekhal moest bewust neutraal en overzichtelijk blijven, omdat reizigers zich daar vaak gehaast en overprikkeld voelen. De bewegwijzering werd daarom functioneel georganiseerd: reisinformatie in geel en ondersteunende faciliteiten in groen, zodat deze intuïtief herkenbaar waren.
Het is bijzonder hoeveel ruimte en vrijheid Kho van zijn opdrachtgevers kreeg om interieurs tot in detail als totaalontwerp vorm te geven. Voor interieurarchitecten ligt die realiteit vandaag de dag vaak anders. “Het is heel frustrerend dat de interieurarchitect als professie door veel professionele opdrachtgevers nog steeds onvoldoende wordt begrepen,” zegt Strijkers. Lachend voegt ze eraan toe: “Als je me vraagt wat de oplossing is, dan is dat door goede interieurs goed te laten zien.”
Het Stedelijk toont met deze tentoonstelling t/m 18 oktober 2026, een inspirerende overvloed aan voorbeelden daarvan.
BNI organiseert rond deze tentoonstelling BNI met de makers in Stedelijk Museum Amsterdam op 21 mei en lezingen op Design District op 28 mei [lees verder]
Stedelijk Museum Amsterdam
Het modernistische interieur dat Kho Liang Ie in de jaren vijftig tot zeventig ontwierp voor Schiphol Airport wordt gekenmerkt door grids, belijning en ritme. Interieurarchitect Eline Strijkers vertaalde die beeldtaal naar een ruimtelijke tentoonstellingservaring vol inventieve variaties en speelse composities die zaal na zaal verrassen.
Door Thierry Somers
Fotografie: Peter Tijhuis
“De tentoonstelling begint met twee beeldtalen van Kho Liang Ie die ogenschijnlijk niets met elkaar gemeen hebben, maar samen twee kanten van hem belichamen,” zegt de oprichter van Strijkers Studio terwijl ze mij rondleidt. Midden in de opbouw, een week voor de opening, kijkt ze de introductiezaal rond. Aan de muur hangt een grote zwart-wit blow-up van de Indonesisch-Chinese polymath. Op de rechterwand vormen tl-lampen een geometrisch grid dat verwijst naar zijn sterke gevoel voor structuur en ritme. Aan de andere zijde hangt een voorbeeld van zijn vrije, persoonlijke kant: een grote manicule – een typografisch handmotief met een wijzende vinger dat Kho gebruikte voor zijn huwelijksuitnodiging.
Voor het ontwerp van de tentoonstelling analyseerde Strijkers het werk van Kho uitgebreid om tot een ruimtelijke vertaling te komen die niet alleen ondersteunt, maar ook iets toevoegt aan de beleving ervan. “Ik wilde iets voelbaar maken dat echt bij hem hoort, zonder dat het zijn ontwerpen overstemt.”
Uit haar analyse destilleerde ze drie kernwaarden: een sterk gevoel voor ruimtelijke structuur, verfijning in styling en detail, en een culturele gelaagdheid waarin orde en vrijheid samenkomen. “Ook al is zijn werk heel georganiseerd en gestructureerd, tegelijkertijd zit er veel finesse, speelsheid en lichtheid in.” Een combinatie van strakke en sfeervolle ontwerpen die Ineke van Ginneke ooit “lyrisch functionalisme” noemde.
Die waarden vertaalde ze naar een tentoonstelling opgebouwd uit dertien thematische zalen, waarin Kho’s veelzijdigheid wordt weerspiegeld: van productontwerp en woonhuizen tot art direction, standbouw, interieurs en zijn samenwerkingen met kunstenaars. Een geometrisch verlichtingsconcept versterkt de ritmische structuren die door zijn werk heen lopen.
Daarnaast ontwierp Strijkers twee soorten podia: transparante presentaties voor ontwerpen van Kho zelf – stoelen, lampen en kasten – en aluminium podia voor kunstenaars en ontwerpers met wie hij samenwerkte of door wie hij zich liet inspireren. “Het gaat niet alleen over zijn werk, maar ook over de creatieve wereld om hem heen,” aldus Strijkers.
Ruimtelijke illusie
In de volgende zaal hangt een zwart-witfoto van een interieurontwerp dat Kho in 1955 maakte voor woongebouw Corversbos in Hilversum, waarin hij experimenteerde met compacte woonvormen en modulaire indelingen. Op het podium staan enkele van zijn meubelontwerpen, waaronder de Cantú lounge chair en de K46-lamp.
“Hij onderzocht hoe je op een zo klein mogelijk oppervlak, door slim te spelen met belijning en verschillende vloervelden, toch het gevoel van een ruimere woning kon creëren,” legt Strijkers uit. Om dat ruimtelijke effect voelbaar te maken, trok Strijkers het vloerpatroon uit de foto door in de zaal en liet ze het streeppatroon van de bank op de foto terugkomen in horizontale tl-balken die van wand naar vloer lopen. Door die subtiele ingrepen oogt de relatief kleine ruimte groter dan ze werkelijk is – een verwijzing naar de slimme ruimtelijke illusies die Kho zelf in zijn ontwerpen toepaste.
Met die ruimtelijke illusie speelt Strijkers ook in de zaal waar de grafische ontwerpen van Kho, gemaakt in samenwerking met Wim Crouwel, worden getoond. Twee wanden zijn opgedeeld in een grid van rechthoekige vlakken met tentoonstellingsposters, terwijl tl-buizen in de hoeken de contouren van de ruimte accentueren. De spiegelende vloer verdubbelt de zaal optisch en benadrukt het grafische ritme van het ontwerp.
Overkoepelende beeldtaal
De conservator industriële vormgeving van het Stedelijk, Ingeborg de Roode, en Eng Bo Kho, de zoon van Kho Liang Ie, met wie zij de tentoonstelling samenstelde, komen ons even begroeten. Wanneer zij doorlopen, vertelt Strijkers hoe ze werd benaderd voor het ontwerp van de tentoonstelling.
“Ingeborg herinnerde zich een bezoek aan modewinkel Stills, waarvoor ik vijftien jaar geleden het interieur ontwierp vanuit een uitgesproken spatial grid. Die nadruk op structuur, ritme en belijning deed haar denken aan het werk van Kho en was de reden waarom ze mij benaderde.”
Stills bestond uit één ruimte, maar voor deze tentoonstelling moest Strijkers die ruimtelijke logica vertalen naar dertien zalen die samen een sequentie vormen. Ze vertaalde Kho’s gevoel voor ritme en structuur naar een reeks ruimtelijke composities met lichtpatronen, vloervelden, fotowanden en podia. Daardoor voelt elke zaal anders aan, terwijl de scenografie als geheel één duidelijke beeldtaal behoudt.
Je kijkt je ogen uit in de zaal die gewijd is aan Kho’s samenwerking met kunstenaars en zijn eclectische verzameling schilderijen, prenten en sculpturen die hij door de jaren heen bijeenbracht. Groene, kaarsrechte laserstralen worden op de muren geprojecteerd en helpen art handlers bij het ophangen van werken van onder anderen Robert Indiana, Lucio Fontana, Josef Albers, Reinier Lucassen, Peter Struycken en Niki de Saint Phalle.
Bewoners van interieurs
Strijkers begint te glunderen wanneer installateurs bezig zijn met het leggen van een vloerzeil met het patroon van de kenmerkende vierkante tegelvloer van Schiphol. Een blow-up van passagiers in de lounge geeft de ruimte een bijna driedimensionaal effect, waarin banken, tafels en de zesvoudige groene telefooncel worden geplaatst. Aan het plafond hangt een origineel lamellensysteem van Hunter Douglas, waartussen gele lichtbakken met bewegwijzering zijn opgehangen, met de kenmerkende pijl die Kho samen met Benno Wissing ontwikkelde. Tegenover de blow-up hangt een groot geweven wandwerk van Sheila Hicks, waarvoor Kho haar kort voor zijn dood opdracht gaf.
Het interieur voor Schiphol geldt als Kho’s bekendste en meest omvangrijke project, met een volume van circa 300.000 m³. Hij had totale zeggenschap en bemoeide zich met alles: van de bewegwijzering en de selectie van kunstwerken tot het ontwerp van de prullenbakken in de toiletten. Die totale aanpak typeert zijn manier van werken, waarin hij zich volledig verplaatste in de eindgebruiker. Zoals Marieke Berkers in de catalogus schrijft: “Kho zag mensen niet als gebruikers van interieurs, maar als bewoners ervan. Ontwerpen deed je voor de volledige mens.”
Passagiersstromen en de gemoedstoestand van reizigers waren belangrijke uitgangspunten in Kho’s ontwerpen voor Schiphol. De vertrekhal moest bewust neutraal en overzichtelijk blijven, omdat reizigers zich daar vaak gehaast en overprikkeld voelen. De bewegwijzering werd daarom functioneel georganiseerd: reisinformatie in geel en ondersteunende faciliteiten in groen, zodat deze intuïtief herkenbaar waren.
Het is bijzonder hoeveel ruimte en vrijheid Kho van zijn opdrachtgevers kreeg om interieurs tot in detail als totaalontwerp vorm te geven. Voor interieurarchitecten ligt die realiteit vandaag de dag vaak anders. “Het is heel frustrerend dat de interieurarchitect als professie door veel professionele opdrachtgevers nog steeds onvoldoende wordt begrepen,” zegt Strijkers. Lachend voegt ze eraan toe: “Als je me vraagt wat de oplossing is, dan is dat door goede interieurs goed te laten zien.”
Het Stedelijk toont met deze tentoonstelling t/m 18 oktober 2026, een inspirerende overvloed aan voorbeelden daarvan.
BNI organiseert rond deze tentoonstelling BNI met de makers in Stedelijk Museum Amsterdam op 21 mei en lezingen op Design District op 28 mei [lees verder]